Uncategorized

De Bijbel V – De oertijd

Overdenking van de rector Mgr. Antoon Hurkmans

 In de provincie Brabant wonen heden ten dagen meer dan twee en een half miljoen mensen. Rond 1850 waren dat er vijfhonderdduizend. Hoe moet dat in het verre verleden zijn geweest? Hoe was het in het stenen en in het bronzen tijdperk? Hoe was het in de oertijd van de streek waar je wortels liggen? Zo kennen wij onze grootouders en misschien hebben we nog iets gehoord over hun ouders, maar daar blijft het dan meestal ook bij. Toch staan we allen in een lange traditie. Met soms lijnen naar andere treken in ons land of zelfs naar andere landen. Om te weten wie je bent is de vraag naar waar je vandaan komt niet onbelangrijk. Als je terug kunt zien op generaties brave voorouders dan geeft dat rust en zelfs wellicht een zeker trots, al blijft het een hachelijke zaak om een stamboom te maken. Goed en kwaad tekenen alle mensen. Ook in de traditie waar ieder van ons in staat. In de meeste families is men er wel actief mee bezig de naam van de familie zuiver te houden. Ieder familielid moet weten dat een schandelijke daad niet alleen hem treft, maar heel de familie. 

 In de eerste helft van het eerste Bijbelboek, Genesis, gaat het over de oertijd. Over de schepping. Over God en mens. Over de eerste mensen op aarde, Adam (mens) en Eva (leven). Hun namen wijzen naar de oertijd. Het gaat over leven en dood. Het gaat over man en vrouw. Over het bewust worden van hun seksualiteit, ze ontdekten dat ze naakt waren. Dan gaat het over Kaïn en Abel. De eerst broedermoord. Over het bloed dat tot God roept om wraak. Viermaal worden er stambomen opgesomd. Men vertelt hoe de nakomelingen van de eerste mensenparen de aarde bevolken. Dan is er de verhalencyclus rond Noach. Het kwaad laat de mens niet met rust. God heeft spijt van zijn schepping. De zondvloed is een zuivering. De stambomen van de zonden van Noach zijn interessant. Zij geven een inkijk in waar de bevolking van de oude tijd zijn plaats had. Het verhaal van de toren van Babel gaat over de trots van de mens. Over het wonder van de verschillende talen. Die oergeschiedenis die uit veel bronnen is opgebouwd wil het volk van God situeren. In tijd en ruimte. Maar zij creëren ook een geestelijke ruimte. God de schepper en Heer van het al. De mens als man en vrouw. Het leven en de dood. Die niet van God komt, maar die de mens over zich afriep. De verleiding tot het kwaad die de mens beheerst. Het kwaad dat op meerdere manieren een gezicht krijgt. Het gaat echter niet alleen over het kwaad. God heeft alles goed geschapen. ‘Hij zag dat het goed was, heel goed.’ Dat zegt God ook van de mens. En als de mens in zonden valt zet God hem uit het paradijs, maar als een ‘moeder’ omkleedt Hij hem met dierenhuiden. (De tekst die dit weergeeft noemt men wel het proto-evangelie, een eerste versie van het Evangelie.) Ook Noach was rechtgeschapen. Met hem begint God opnieuw. Het is een hele kunst om de teksten die deze oertijd beschrijven goed te verstaan. Paulus en Augustinus zullen op basis van deze teksten aangeven dat de mens, hoewel goed geschapen door God, in een traditie is terecht gekomen waardin hij niet meer vrij is van het kwaad. Hij is erfelijk belast met de dood als gevolg. Tevens geven ze aan dat God hem heil zal brengen. Zo staan we aan het begin van de heilsgeschiedenis, de geschiedenis van onze heelmaking. 

Bisschop Antoon Hurkmans
Rector van de Friezenkerk in Rome
ahurkmans@bisdomdenbosch.nl

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *